Bepaal welk oppervlak ruw is
Een bobbelige eerste laag vraagt eerst controle van bedafstand en eerste-laaginstellingen. Een ruwe bovenlaag kan ontstaan wanneer de nozzle over overtollig materiaal strijkt of de onderliggende vulling onvoldoende ondersteuning geeft. Willekeurige putjes door de gehele wand vragen een andere diagnose.
Bekijk de print in strijklicht en markeer waar het probleem begint. Terugkerende verticale lijnen of een fout op dezelfde hoogte zijn iets anders dan verspreide gaatjes. Noteer ook of het verschijnsel meteen optreedt of pas na een langere print.
Controleer materiaaltoevoer en flow
Bekijk of de rol vrij draait en of de filamentroute geen scherpe bochten maakt. Onregelmatige toevoer kan dunne stukken en openingen in de wand geven. Controleer vervolgens of nozzlemaat en materiaalprofiel kloppen.
Verander de flow niet op basis van één moeilijke geometrie. Gebruik een eenvoudige test volgens de kalibratieprocedure van je printer of slicer. Is alleen de bovenkant ruw, inspecteer dan ook bovenlaaginstellingen en de ondersteuning door de infill.
Wanneer is drogen een zinvolle test?
Drogen is vooral een logische stap wanneer de ruwe wand samengaat met plofjes, belletjes of veranderde extrusie na langdurige open opslag. Vergelijk met een rol die eerder goed printte en gebruik hetzelfde testbestand.
Droog volgens het specifieke materiaalprofiel en herhaal zonder flow of nozzletemperatuur tegelijk te wijzigen. Zo kun je het effect van die ene ingreep beoordelen. Een schonere wand is nuttig bewijs voor je workflow, geen exacte meting van vochtgehalte.
Controleer snelheid en koeling
Ontstaat het probleem vooral op snelle stukken, overhangen of kleine details, controleer dan snelheid en koeling binnen het aanbevolen printerprofiel. Verschillende materialen vragen verschillende instellingen; maximale ventilatie is geen universele oplossing.
Bewaar een werkend profiel en een foto van het resultaat. Keert het probleem bij meerdere rollen terug, onderzoek dan printer en hotend. Blijft het aan één rol gekoppeld, richt je op materiaalprofiel, opslag en eventueel de leverancier.
- Lokaliseer de afwijking.
- Controleer toevoer en het standaardprofiel.
- Test vocht met een herhaalbare vóór/na-print.
- Kalibreer daarna pas afzonderlijke instellingen.
Verder controleren
Technische waarden kunnen per productformule verschillen. Daarom verwijzen we naar fabrikantdocumentatie en blijft het datablad van jouw specifieke filament leidend.
